Column

Henk Spaan: Fiets-in-de-tram-schaamte

Gisteravond at ik in een restaurant in de Jordaan waar ze eendenlever met toast op het menu hadden. Ik besprak met mijn disgenoot de gevaren van het openlijk trotseren van de publieke opinie. Ik beperk het eten van eendenlever tot dorpsrestaurants in de diepste Franse provincie waar de publieke opinie op veel gebieden omgekeerd is aan die bij ons. Dat is die befaamde tegenstelling tussen stad en platteland, tussen boerentrekkers en birò’s. Ik was te gast in een talkshow die ook jonge boeren had uitgenodigd. Ze waren die ochtend om drie uur opgestaan om te demonsteren in Den Haag. Ik vroeg hoe het voelde om te worden gesteund door verstandelijk beperkten als Jan Roos. De boerenkoppen verstrakten. Daar was hij weer, die tegenstelling tussen stand en platteland.
‘Fuck it,’ zeiden mijn disgenoot en ik en bestelden de eendenlever. Als dit restaurant zijn voortbestaan in de waagschaal stelde met het serveren van eendenlever, waren wij geen knip voor de neus waard als we hem niet durfden te bestellen. 
‘Verder ben ik best wel links,’ zei ik.
‘Ik ben ook best wel links,’ zei hij.
Aan vliegschaamte lijd ik ook niet, hoewel ik laatst met de trein naar Londen ben geweest. Mijn vrouw en ik hebben onderweg tien keer tegen elkaar gezegd hoe goed dit voor het milieu was. We voelden ons met elke afgelegde kilometer een iets beter mens worden. 
Een gevoel van schaamte dat ik niet kan onderdrukken is de fiets-in-de-tram-schaamte. In tram 26 mag je je fiets meenemen. Ik stapte op en fietste naar de halte. Op de tramhalte liep ik met de fiets aan de hand naar het midden van het perron. Ik zag de mensen naar me kijken en deed alsof het me niet kon schelen. Daar had je de tram. Precies voor de neus van mijn fiets schoof de deur open. De conductrice keek naar me met een blik die zei: daar heb je weer zo’n loser met een fiets. Fluitend deed ik net alsof ik mijn ventiel aandraaide.
‘Ga je mee of niet?’ vroeg ze.
‘Ik moet mijn kaart nog opladen,’ zei ik.