ALLES IS RELATIEF

De meeste mensen nemen zichzelf als referentiekader. Toen ik bij mijn vriendin opperde dat haar dochter misschien hoogbegaafd was, keek ze me verbaasd aan. “Nee joh”, sputterde ze tegen: “ze leest heel beroerd en ze is al vier”. Haar man las al de krant toen hij drie was, en hij was ook niet bijzonder slim, meende ze. Haar zoon vond ze wel redelijk snugger. Met redelijk snugger bleek later: zijn IQ was onmeetbaar hoog. Helaas functioneert hij op eenzame hoogte: bij zijn referaat over salpeterzuur en schoonmaakazijn verslapte de aandacht van groep vier al na twintig minuten. Vreemd, vond hij, want het fascineerde hem al jaren. Alles is relatief. Zo maken ouders die zelf druk zijn, zich minder zorgen over hun actieve kind dan ouders die van nature juist erg rustig zijn. Ze zeggen: “zo was ik vroeger ook”. En gelukkig hebben drukke kinderen ook vaak drukke ouders. Want zoals we weten zit veel in de genen. Bij adoptiegezinnen zie je juist vaak een behoorlijke diversiteit in temperament. Waar je voor het adoptietraject veel geduld en planningsvermogen nodig hebt, zijn deze eigenschappen niet bepaald een vereiste voor onbedoeld zwanger raken. En waar veel adoptieouders onvruchtbaar zijn, zijn de biologische ouders vaak juist super vruchtbaar en geven hun genen weer door aan hun kinderen. En zo komt het vaker in adoptiegezinnen voor dat de ouders rustige, bedachtzame laatbloeiers zijn, terwijl de kinderen juist temperamentvol en swingend de grenzen verkennen. Juist als je bepaald gedrag niet bij jezelf of nabije omgeving herkent, maak je je eerder zorgen. Uit de wijze waarop de kinderen over hun ouders praten, blijkt vaak een wederzijds onbegrip. Omschrijvingen als fossiel, stoptrein en wortelschieten komen dan voorbij.

Mijn dochter en ik zijn oh zo aan elkaar verwant (mijn eerste bloedverwant sinds mijn adoptie) maar soms staat ze ver van mij af. Ze vergeet altijd haar schooltas mee te nemen, ook al staat die al jaren op dezelfde plek klaar. Ze is regelmatig haar jas (knuffel, sleutel, huiswerk, etc) kwijt en gaat dan liggen wachten tot deze haar gaan vinden. Ze heeft goede intenties om haar tanden te poetsen, tot zij haar playmobil tegenkomt. Maar als ik mij weer eens zorgen maak over mijn dochter die het, zeg maar kalmpjes aan doet op school, heb ik gelukkig mijn man. Mijn man was een enorme flapdrol op de lagere school. Hij zag elk vogeltje vliegen. Er werd over hem gezegd: als die zijn lts afmaakt, mogen we blij zijn. Op de MAVO bakte hij er inderdaad niets van. Hij zag elk meisje lopen. Op de MTS begon hij er plezier in te krijgen. De HTS ging al beter. De Technische Universiteit ging eigenlijk best gesmeerd. Tot grote schrik van zijn ouders destijds besloot hij toch Psychologie te gaan studeren (waarom psycholoog worden als je ingenieur kan worden?!). En nu zijn ze toch wel trots dat hij inmiddels doctor is in de psychiatrie. Dan zegt mijn man over onze dochter: het komt wel goed, als ze maar haar Vmbo haalt, dan is ze zo goed als gepromoveerd. Dan lachen we samen. En dan schaam ik me over mijn irritatie om mijn dochter. Over mijn eigen referentiekader dat mij in de weg zit. Ze is lief, vindingrijk en creatief. Ze presteert in tegenstelling tot mezelf wel op karatewedstrijden en ze bezit een vergevingsgezindheid waar ik een puntje aan kan zuigen. In gedachte maak ik dan een diepe buiging voor haar en neem mij opnieuw het beste voor. Als je iets leert van kinderen krijgen, is het wel een portie nederigheid.