Kut

Tien jaar lang heb ik in de verstandelijk gehandicaptenzorg gewerkt. Op een gegeven moment werd het tijd om verder te gaan maar soms, dan mis ik dat werk wel eens. Ik heb daar heel veel plezier gehad. En zo bijzonder als sommigen daar waren, heb ik ze daarna niet vaak meer gezien.
Zo was er een man die elk gebouw dat hij ooit had gezien tot op de detail kon naschilderen. Hij vond het zelf ook bijzonder en sloot elk kunstwerk af met de woorden: “merkwaardig, merkwaardig”. Een andere cliënt verzoop iedere dag de planten op mijn kantoor met een grote gieter. Dat was zijn taak. Als hij wegging, mompelde hij een getal en verdween snel. Pas na een jaar kon ik hem bij zijn jasje grijpen en vragen waarom hij dat deed. Het bleek steeds het aantal dagen te zijn tot ik jarig was. Dat deed hij bij iedereen die voorbij kwam – al mompelend ging hij door het leven.

Ontroerend was de man die prachtig kon pianospelen. Hij had op het North Sea Jazz festival gespeeld. Maar omdat hij nooit wilde stoppen, waardoor de andere bands niet konden beginnen, mocht hij niet meer meedoen. Ik nam een risico door hem te vragen wat te spelen, maar het was zeer de moeite waard.

Natuurlijk ben ik erg gepest met mijn naam. Ik stelde me eens voor aan een gezellig groepje. Jan Willem werd eerst stil, trok daarna een grimas en slaakte toen hoge kreten. Net toen ik me zorgen begon te maken, gilde hij het uit: “Weet je wat daar op rijmt, op Ruth, nou nou nou nou?” In ieder geval hun dag was toen goed. Zij klapten in hun handen van plezier en meestal was het raak. Ze vroegen zich af waarom ik, een Chinees, in Nederland woonde. Dan zei ik: “Ik ben Koreaans en ik ben geadopteerd.” “Ah,” riep Jan Willem, “Ruth is geaborteerd.” “Nee,” verbeterde ik hem. “Ik ben er nog.” “Oh ja, dat is waar,” gaf hij toe, “mislukte abortus dus. Nou ja, ik ben ook mislukt. Je lijkt op mij.” Waarna een klein vrouwtje mij omhelsde en fluisterde: “En met jouw ogen lijk je ook op mij, net een mongool”. Je begrijpt wel waarom het me daar zo beviel.