Nieuws

De blauwborst: een juweel tussen het riet

Bijna iedereen kent het roodborstje, maar de blauwborst is zijn zeldzame evenknie. Deze schoonheid vliegt rond in het Diemerpark. April is de beste tijd om hem te zien. 

Het is bijna acht uur als Arjan Berben van Vogelbescherming Nederland in het Diemerpark komt aanfietsen. Een vroege zon schijnt zwak door de sluierbewolking. Achter de elektriciteitsmast midden in het rietland begint de bebouwing van IJburg. Het is één van de drie plekken in het Diemerpark waar Arjan geregeld blauwborsten ziet. Deze vogels komen verder in Amsterdam onder andere voor in de Bretten en Polder IJdoorn.

Arjan voert al negen jaar vogeltellingen uit in het Diemerpark, samen met een groepje andere vogelaars. Systematisch inventariseren ze de broedvogels van het park tijdens zes vroege ochtenden en twee avonden. De blauwborst is tijdens die inventarisatierondes een ‘trofee’, volgens Arjan. “Vanaf het moment dat ze terug zijn van hun wintertrek hebben we bijna elke telronde wel een euforisch blauwborst-moment.”

Vanaf de brug horen we een Cetti’s zanger hard over het rietland schallen. “Die heeft een soort trompet,” verklaart Arjan. “Tá tá tá,” zingt hij hem na. Ook horen we groenling, tjiftjaf, winterkoning en zien we putters overvliegen. Maar nog geen blauwborst. 

De vogels in het Diemerpark lijden onder de plastic sportvelden, volgens Arjan. De kneuen die eerder in het park broedden zijn waarschijnlijk om die reden verdwenen. Vooral door het autoverkeer in het weekend. “Dan is het hier een soort snelweg voor auto’s,” zegt Arjan. Ook de lichten die ’s nachts branden hebben een negatieve uitwerking. Het is volgens Arjan dan ook slecht nieuws dat de sportvelden mogelijk worden uitgebreid. 

Toch gaat het over het algemeen goed met de blauwborst in Nederland. Het is een van de weinige vogels die van de rode lijst met bedreigde broedvogels is geschrapt. Dit komt door de aanleg van nieuwe moerasgebieden in Nederland, waar een rietvogel als de blauwborst zich thuis voelt. 

We pakken onze fietsen en rijden naar het strandje. Een stroom fietsers – forensen – komt ons tegemoet. Via een paadje lopen we de bosjes in. Aan de rand van het water blijven we staan. We horen een kakofonie aan zingende vogels. Arjan let op het geluid van een ‘opstartende motor’, zoals hij het noemt: eerst langzaam en dan steeds sneller. Opeens steekt hij zijn vinger in de lucht. “Dit is ’m,” zegt hij zichtbaar opgetogen. “Tí, tí – en dan komt-ie op gang.’ Arjan doet het geluid van een startende motor na, met zijn armen ronddraaiend. We lopen dichter naar het geluid toe. Ineens verschijnt er boven in een rietstengel een vogel. Terwijl de blauwborst onverstoorbaar zingt, staren wij met ingehouden adem door de kijker. Het blauw van de borst glimt in de ochtendzon en steekt fel af tegen het roestbruin eronder. “Prachtig,” fluistert Arjan. “Die zit hier dan maar, terwijl er achter ons honderden mensen langsfietsen.”

Foto blauwborstje: Jelle de Jong