Ik fietste weg uit Oost. De stad is leuk maar gelukkig ligt er wel wat platteland naast, anders zou ik gek worden. Ik ging richting Durgerdam. Tot mijn vreugde bleek de dijk richting Marken weer te befietsen, nadat-ie jarenlang gesloten was geweest vanwege de dijkverzwaring.
Wat lag het er allemaal mooi en groot en veilig bij. De Nescio in mij begon te fluiten want ik was de nieuwe dijk aan het befietsen. Wie weet wel als eerste. Ik was een soort van pionier!
En, na een kwartiertje trappen lag het daar al, in volle Noord-Hollandse glorie, mijn geliefde Uitdam. Met zijn mooie kerkje, zijn leuke huisjes en zijn wuivende rietkragen.
Op een krijtbord langs de weg stond in een wat kinderlijk handschrift:
WELKOM
zelfgemaakte kwarktaart heerlijk OP=OP
GOEIE dAg u kunt hier Niet pinnen en ook geen tikkie takkie tokkie doen -ONeLY cash
niet OPEN bij BOOS weer – wel bij LIEF weer
Ik wilde geen tikkie takkie tokkie doen dus ik opende het hekje. In de tuin lag een hond in de zon met om kralenketting om zijn nek. Overal bloeiden lentebloemen. Uit de deur kwam een roodharige vrouw tevoorschijn die eruitzag of ze al heel wat winters op Ibiza had doorgebracht. In haar felblauwe ogen kon je de vrijheidsdrang zien schitteren. In de jaren zestig was ze vast prinses der provo’s geweest, of ging mijn fantasie nu met me op de loop?
“En… hoe heet dit paradijsje?” vroeg ik enthousiast.
“Gewoon, het theetuintje,” antwoordde ze nuchter.
De kwarktaart was op, maar koffie kon ik krijgen. Ik besefte dat de pionier welkom was, maar geen heldenwelkom hoefde te verwachten.
De berken ruisten. Ik dronk mijn bakkie.
De vrouw voegde zich bij me. Ze rookte een sjekkie en begon opeens over de dijkverzwaring, die ‘jaren en jaren’ had geduurd. De vooruitgang had zich ook hier met veel gebulder en gegrom van machines gemeld, en dat was niet altijd een pretje geweest. Ik wist er alles van, ik kwam uit Oost, daar ligt alles ook steeds open.
“Maar het wordt nu toch wel heel mooi,” probeerde ik.
“Mooi, ja. Met vervuilde grond zeker.”
Hè, wat jammer. Daar was de realiteit alweer. Tot voor kort was er letterlijk geen vuiltje aan de lucht geweest.
Mijn fiets schitterde in de zon.
“Nou, dan stap ik maar weer eens op,” zei ik, en vertrok in de richting van het romantische Aandammerbruggetje. De terugweg was zo mogelijk nog mooier dan de heenweg.


