Minder parkeervakken in Oost maar gevreesde parkeerdruk blijft uit

Het is de droom van iedere politicus: beleid dat geen geld kost, geen boze bewoners oplevert en wel leidt tot een betere buurt. En als het dan ook nog over parkeren gaat, naast windmolens en bomen een favoriet onderwerp van Amsterdammers om hun stem luid te laten horen, dan is het misschien wel de ultieme droom.

Tussen half 2019 en eind 2025 zijn in Amsterdam tienduizend parkeervakken op straat verdwenen. Ook in Oost zijn parkeervakken gesneuveld. Een precies aantal is niet te geven maar eind 2023 stond de teller al op ruim zevenhonderd, dus het zou kunnen dat er zomaar rond de duizend zijn in de hele periode. Vooral in Oud-Oost zijn er nu minder parkeerplekken dan zes jaar geleden, maar ook op KNSM-eiland en IJburg is er minder ruimte voor geparkeerde auto’s op straat. Wat het gemeentebestuur betreft smaakt dit naar meer; de komende jaren zal dit beleid worden voortgezet. Opnieuw vele duizenden parkeerplaatsen gaan er de komende jaren aan, zeker ook in Oost.

Geen politieke partij die zich er nu nog druk om maakt, terwijl er bij de aankondiging van de maatregel zes jaar geleden nog volop debat over was. Ook grote Amsterdamse partijen reppen in hun nieuwe verkiezingsprogramma’s met geen woord over de voortgaande verlaging van het aantal parkeerplaatsen. Alleen de VVD maakte zich begin februari in een raadsvergadering bijna ritueel (“ja, het is verkiezingstijd”, aldus de woordvoerder) zorgen over het oplopen van de wachttijd voor een parkeervergunning omdat er steeds minder parkeerplekken en minder vergunningen zijn. Het geruststellende antwoord van de wethouder dat de wachttijden in bijna heel Amsterdam rond de zes maanden ligt, was voldoende om een discussie over de voortzetting van het beleid in de kiem te smoren.

Dat de wachttijd bijna overal ongeveer een halfjaar is, moet een van grootste verrassingen zijn voor de ambtenaren die dit beleid zes jaar geleden hebben bedacht. Toen gingen zij ervan uit dat de wachttijd voor een parkeervergunning “in 2026 gemiddeld tot ruim twee jaar zal zijn opgelopen”. Zij gingen er aanvankelijk ook vanuit dat in vrij snel tempo 9 van de 10 overgebleven parkeerplekken dagelijks bezet zouden zijn waardoor het rondjes rijden op zoek naar een plek grote vormen zou kunnen aannemen.

Niets van dit alles. Uit cijfers van de stad is op te maken dat op dit moment gemiddeld iets meer dan 6 van de 10 parkeerplekken bezet zijn. In delen van Oost ligt dit aantal wat hoger, met als uitschieter het gebied rond het Sumatraplantsoen, waar bijna alle parkeerplekken op doordeweekse avonden permanent bezet zijn.

Minder parkeerplekken betekent meer ruimte voor andere wensen van bewoners, zoals meer groen, meer fietsenrekken of een bredere stoep. In Oost zijn de meeste parkeerplekken ook aan dit nieuwe gebruik van de ruimte geofferd, al hebben plekken ook plaatsgemaakt voor woningen of afvalcontainers. Bewoners krijgen zo een betere buurt, en omdat de parkeerdruk verrassend laag blijft, klimt ook niemand in de pen om te klagen over onvindbare parkeerplekken.

Dit beleid is voor de gemeente ook nog eens op een koopje. Het weghalen van parkeerplekken gebeurt alleen op plekken waar toch al aan de straat gewerkt moet worden (groot onderhoud, aanleg zebrapad, verlaagde trottoirband etc.). Voor dit werk is geld uitgetrokken, voor het weghalen van parkeervakken hoeft dan niet apart geld opzij te worden gezet en dus is dit – volgens de beleidsmatige logica – gratis.